Oorsprong van het Schipperke

Het Schipperke - De kleine zwarte Belg

Door H.C. Rotgans - Rookmaaker


De vaststelling van de standaard van het Schipperke

Uit een publicatie van 1974 door mevrouw Rotgans-Rookmaaker

Toen men in 1888 hij de oprichting van de Belgische Schipperkes Club wilde overgaan tot de vaststelling van de Standaard, werd een groot aantal exemplaren van het ras in ogenschouw genomen. Het bleek toen dat er in feite drie verschillende types Schipperkes bestonden, n.l.
het Antwerpse,

het Leuvense en

het Brusselse type.

Het Leuvense had een gladde glanzende vacht, weinig kraag, een lang hoofd en rechte, dicht bij elkaar staande oren. In totaal had hij een ietwat terrier-achtig uiterlijk.


Die uit Brussel hadden een veel korter hoofd, grote ogen, een breed voorhoofd en vrij lange oren die opzij van het hoofd stonden.
Hun prachtige kraag 
voelde hard aan en ook de vacht was van uitzonderlijke kwaliteit. Helaas kwamen losse ellebogen veelvuldig voor, wat gecombineerd met de korte kop maakte dat ze gingen lijken op kleine Franse bulldogjes. 

De Antwerpse Schipperkes tenslotte, stonden hier tussen in en waren het meest aantrekkelijk, en ook het populairste. Het waren compact gebouwde hondjes met een goede kraag en broek, korter haar op lichaam en poten. Behalve een mooie kraag hadden ze ook nog een chabot, die tot onder de voorpoten doorliep.

De noodzaak bestond om tussen al deze typen een keuze te maken teneinde vast te stellen hoe het uiterlijk diende te zijn en men stemde voor het Antwerpse type. Deze Standaard is met uitzondering van de gewichtsklassen tot heden ongewijzigd van kracht. Maar wat die gewichten betreft, de geleerden zijn het daaromtrent nooit helemaal met elkaar eens geworden.

Werd in 1888 in de allereerste redactie gesteld dat het minimum gewicht 4 kilo diende te zijn en dat honden die minder wogen in een aparte klasse moesten komen, reeds in 1892 werd deze 4 kilo teruggebracht tot 3 1/2 kilo. Het zou echter nog veel erger worden, De Belgen houden nu eenmaal van kleine hondjes en daar ontkwam hun nationale ras ook niet aan.
Liefhebbers hiervan wisten het voor elkaar te krijgen dat de gewichtsklassen in 1904 nogmaals onder de loep werden genomen en toen deed het dwergschipperke zijn intrede: Drie categorieën werden ingesteld:

dwergen beneden de 3 1/2 kilo en twee gewichtsklassen daarboven 3 1/2 - 5 1/2 en 5 1/2 - 9. In 1911 wederom een wijziging: dwergschipperkes beneden de 3 kilo en twee gewichtsklassen 3-5 en 5-9. Deze gewichtsklassen wisten zich heel lang te handhaven.

Omdat men echter in de loop der tijden was gaan inzien dat dwergen morphologisch te klein waren om te kunnen beantwoorden aan de eisen van de standaard, vooral appelhoofdjes kwamen bij deze honden veelvuldig voor en ook te geprononceerde jukbeenderen en te korte snuiten, daarom stak men in 1968 de koppen weer bij elkaar, waarbij men ook te rade ging hij dkeurmeesteresse en adviseuse Van de Kon. Schipperkes Club, Mevr. Nizet de Leemans

Op de ledenvergadering van dat jaar werd tenslotte besloten de klok enigszins terug te draaien en de categorieën op de volgende wijze in te delen: de kleine soort van 3- 4 kilo,

middenslag van 4 – 5 kilo en

grote Schipperkes van 5-9 kilo.

Beneden de 3 en boven de 9 kilo dienen ze op tentoonstellingen gediskwalificeerd te worden.

H C. Rotgans- Rookmaaker